1 Maar Job antwoordde en zeide: 2 Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen? 3 Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt…
1 Elihu antwoordde verder, en zeide: 2 Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods? 3 Want gij hebt gezegd: Wat zou zij…
1 Wederom was er een dag, als de kinderen Gods kwamen, om zich voor den HEERE te stellen, dat de satan ook in het midden van hen kwam, om zich…
11 Ook kwamen tot hem al zijn broeders en al zijn zusters en allen die hem tevoren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem…
1 TOEN antwoordde Job den HEERE en zeide: 2 Ik weet dat Gij alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden. 3 Wie is hij, zegt Gij,…
1 EN de HEERE antwoordde Job uit een onweder en zeide: 2 Gord nu als een man uw lendenen; Ik zal u vragen, en onderricht Mij. 3 Zult gij ook…
1 TOEN antwoordde Job den HEERE en zeide: 2 Ik weet dat Gij alles vermoogt, en dat geen van Uw gedachten kan afgesneden worden. 3 Wie is hij, zegt Gij,…
1 DAARNA antwoordde de HEERE Job uit een onweder en zeide: 2 Wie is hij die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap? 3 Gord nu als een man uw…
1 TOEN hielden die drie mannen op van Job te antwoorden, dewijl hij in zijn ogen rechtvaardig was. 2 Zo ontstak de toorn van Elihu, den zoon van Barácheël, den…





