Jozefs sterven en opstanding
15/12/2022

Jozefs sterven en opstanding

Voorganger:
Passage: Genesis 37:18-36

18 En zij zagen hem van verre; en eer hij tot hen naderde, sloegen zij tegen hem een listigen raad om hem te doden.
19 En zij zeiden de een tot den ander: Zie, daar komt deze meesterdromer aan.
20 Nu komt dan, en laat ons hem doodslaan en hem in een dezer kuilen werpen; en wij zullen zeggen: Een boos dier heeft hem opgegeten; zo zullen wij zien wat van zijn dromen worden zal.
21 Ruben hoorde dat en verloste hem uit hun hand; en hij zeide: Laat ons hem niet aan het leven slaan.
22 Ook zeide Ruben tot hen: Vergiet geen bloed; werpt hem in dezen kuil, die in de woestijn is, en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hun hand verloste, om hem tot zijn vader weder te brengen.
23 En het geschiedde als Jozef tot zijn broederen kwam, zo togen zij Jozef zijn rok uit, den veelvervigen rok, dien hij aanhad.
24 En zij namen hem en wierpen hem in den kuil; doch de kuil was ledig, er was geen water in.
25 Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op en zagen, en zie, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kemels droegen specerijen en balsem en mirre, reizende om dat af te brengen naar Egypte.
26 Toen zeide Juda tot zijn broederen: Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen broeder doodslaan en zijn bloed verbergen?
27 Komt en laat ons hem aan deze Ismaëlieten verkopen, en onze hand zij niet aan hem, want hij is onze broeder, ons vlees. En zijn broeders hoorden hem.
28 Als nu de Midianitische kooplieden voorbijtogen, zo trokken en hieven zij Jozef op uit den kuil en verkochten Jozef aan deze Ismaëlieten voor twintig zilverlingen; die brachten Jozef naar Egypte.
29 Als nu Ruben tot den kuil wederkeerde, zie, zo was Jozef niet in den kuil; toen scheurde hij zijn klederen.
30 En hij keerde weder tot zijn broederen en zeide: De jongeling is er niet; en ik, waar zal ik heen gaan?
31 Toen namen zij Jozefs rok, en zij slachtten een geitenbok en zij doopten den rok in het bloed.
32 En zij zonden den veelvervigen rok en deden hem tot hun vader brengen en zeiden: Dezen hebben wij gevonden; beken toch, of deze uws zoons rok is of niet.
33 En hij bekende hem en zeide: Het is mijns zoons rok; een boos dier heeft hem opgegeten; voorzeker is Jozef verscheurd.
34 Toen scheurde Jakob zijn klederen en legde een zak om zijn lendenen; en hij bedreef rouw over zijn zoon vele dagen.
35 En al zijn zonen en al zijn dochters maakten zich op om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten en zeide: Want ik zal rouw bedrijvende tot mijn zoon in het graf nederdalen. Alzo beweende hem zijn vader.
36 En de Medanieten verkochten hem in Egypte, aan Pótifar, Farao’s hoveling, overste der trawanten.

Onderwerpen:

Geef een reactie