Het leven van Jozef 16/28
08/09/2022

Het leven van Jozef 16/28

Voorganger:
Passage: Genesis 43:8-14

8 Toen zeide Juda tot Israël, zijn vader: Zend den jongeling met mij, zo zullen wij ons opmaken en reizen; opdat wij leven en niet sterven, noch wij, noch gij, noch onze kinderkens.
9 Ik zal borg voor hem zijn; van mijn hand zult gij hem eisen; indien ik hem tot u niet breng en hem voor uw aangezicht stel, zo zal ik alle dagen tegen u gezondigd hebben.
10 Want hadden wij niet gezuimd, voorwaar, wij waren alrede tweemaal wedergekomen.
11 Toen zeide Israël, hun vader, tot hen: Is het nu alzo, zo doet dit; neemt van het loffelijkste dezes lands in uw vaten en brengt dien man een geschenk henen af: een weinig balsem en een weinig honing, specerijen en mirre, terpentijnnoten en amandelen.
12 En neemt dubbel geld in uw hand; en brengt het geld, hetwelk in den mond uwer zakken wedergekeerd is, wederom in uw hand; misschien is het een feil.
13 Neemt ook uw broeder mede; en maakt u op, keert weder tot dien man.
14 En God de Almachtige geve u barmhartigheid voor het aangezicht van dien man, dat hij uw anderen broeder en Benjamin met u late gaan. En mij aangaande, als ik van kinderen beroofd ben, zo ben ik beroofd.

Onderwerpen:

Geef een reactie