De Bijbel open Deel 2 aflevering 10 Jozua 18, Jozua 19
07/12/2022

De Bijbel open Deel 2 aflevering 10 Jozua 18, Jozua 19

Voorganger:
Passage: Jozua 18, Jozua 19

1 EN de ganse vergadering der kinderen Israëls verzamelde zich te Silo, en zij richtten aldaar op de tent der samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was.
2 En er bleven over onder de kinderen Israëls, denwelken zij hun erfdeel niet uitgedeeld hadden, zeven stammen.
3 En Jozua zeide tot de kinderen Israëls: Hoelang houdt gij u zo slap om voort te gaan om het land te beërven, hetwelk de HEERE, de God uwer vaderen, u gegeven heeft?
4 Geeft voor ulieden drie mannen van elken stam, dat ik hen heenzende, en zij zich opmaken en het land doorwandelen en beschrijven hetzelve naar hun erven en weder tot mij komen.
5 Zij nu zullen het delen in zeven delen; Juda zal blijven op zijn landpale van het zuiden en het huis van Jozef zal blijven op zijn landpale van het noorden.
6 En gijlieden zult het land beschrijven in zeven delen en tot mij herwaarts brengen, dat ik voor ulieden het lot hier werpe voor het aangezicht des HEEREN onzes Gods.
7 Want de Levieten hebben geen deel in het midden van ulieden, maar het priesterdom des HEEREN is hun erfdeel. Gad nu en Ruben en de halve stam van Manasse hebben hun erfdeel genomen op gene zijde van de Jordaan, oostwaarts, hetwelk hun Mozes, de knecht des HEEREN, gegeven heeft.
8 Toen maakten zich die mannen op en gingen heen. En Jozua gebood hun die heengingen om het land te beschrijven, zeggende: Gaat en doorwandelt het land, en beschrijft het; komt dan weder tot mij, zo zal ik ulieden hier het lot werpen voor het aangezicht des HEEREN te Silo.
9 De mannen dan gingen heen en doortogen het land, en beschreven het, naar de steden, in zeven delen, in een boek; en kwamen weder tot Jozua in het leger te Silo.
10 Toen wierp Jozua het lot voor hen te Silo, voor het aangezicht des HEEREN. En Jozua deelde aldaar den kinderen Israëls het land, naar hun afdelingen.
11 En het lot van den stam der kinderen van Benjamin kwam op, naar hun huisgezinnen; en de landpale van hun lot ging uit tussen de kinderen van Juda en tussen de kinderen van Jozef.
12 En hun landpale was naar den hoek noordwaarts van de Jordaan; en deze landpale gaat opwaarts aan de zijde van Jericho van het noorden, en gaat op door het gebergte westwaarts, en haar uitgangen zijn aan de woestijn van Beth-Aven.
13 En vandaar gaat de landpale door naar Luz, aan de zijde van Luz (welke is Bethel), zuidwaarts; en deze landpale gaat af naar Atrôth-Addar, aan den berg die aan de zuidzijde van het benedenste Beth-Hóron is.
14 En die landpale strekt en keert zich om naar den westhoek zuidwaarts van den berg die tegenover Beth-Hóron zuidwaarts is, en haar uitgangen zijn aan Kirjath-Baäl (welke is Kirjath-Jeárim), een stad der kinderen van Juda. Dit is de hoek ten westen.
15 De hoek nu ten zuiden is aan het uiterste van Kirjath-Jeárim; en deze landpale gaat uit ten westen, en zij komt uit aan de fontein der wateren van Neftóah.
16 En deze landpale gaat af tot aan het uiterste des bergs die tegenover het dal des zoons van Hinnom is, die in het dal der Refaïeten is tegen het noorden, en gaat af door het dal van Hinnom, aan de zijde der Jebusieten zuidwaarts, en gaat af aan de fontein van Rogel,
17 En strekt zich van het noorden, en gaat uit te En-Sémes; vandaar gaat zij uit naar Gelilôth, welke is tegenover den opgang naar Adûmmim, en zij gaat af aan den steen van Bohan, den zoon van Ruben,
18 En gaat door terzijde tegenover Arába naar het noorden, en gaat af te Arába.
19 Verder gaat deze landpale door aan de zijde van Beth-Hogla noordwaarts, en de uitgangen van deze landpale zijn aan de tong der Zoutzee noordwaarts, aan het uiterste van de Jordaan zuidwaarts. Dit is de zuiderlandpale.
20 De Jordaan nu bepaalt haar aan den hoek naar het oosten. Dit is het erfdeel der kinderen van Benjamin in hun landpalen rondom, naar hun huisgezinnen.
21 De steden nu van den stam der kinderen van Benjamin naar hun huisgezinnen zijn: Jericho en Beth-Hogla en Emek-Keziz,
22 En Beth-Arába en Zemaráïm en Bethel,
23 En Havvim en Para en Ofra,
24 En Cefar-haämmonai en Ofni en Gaba: twaalf steden en haar dorpen.
25 Gíbeon en Rama en Beëroth,
26 En Mizpe en Chefíra en Moza,
27 En Rekem en Jirpeël en Thárala,
28 En Zela, Elef en Jebusi (deze is Jeruzalem), Gibath, Kirjath: veertien steden mitsgaders haar dorpen. Dit is het erfdeel der kinderen van Benjamin naar hun huisgezinnen.
1 DAARNA ging het tweede lot uit voor Simeon, voor den stam der kinderen van Simeon naar hun huisgezinnen; en hun erfdeel was in het midden van het erfdeel der kinderen van Juda.
2 En zij hadden in hun erfdeel: Berséba en Séba en Mólada,
3 En Hazar-Sual en Bala en Azem,
4 En Elthólad en Bethul en Horma,
5 En Ziklag en Beth-hammarchabôth en Hazar-Susa,
6 En Beth-Lebaôth en Sarûhen: dertien steden en haar dorpen.
7 Ain, Rimmon en Ether en Asan: vier steden en haar dorpen.
8 En al de dorpen die rondom deze steden waren, tot Báälath-Beër, dat is Ramath tegen het zuiden. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Simeon naar hun huisgezinnen.
9 Het erfdeel der kinderen van Simeon is onder het snoer der kinderen van Juda; want het erfdeel der kinderen van Juda was te groot voor hen; daarom erfden de kinderen van Simeon in het midden van hun erfdeel.
10 Daarna kwam het derde lot op voor de kinderen van Zebulon naar hun huisgezinnen; en de landpale van hun erfdeel was tot aan Sarid.
11 En hun landpale gaat opwaarts naar het westen en Marála, en reikt tot Dabbáseth, en reikt tot aan de beek die vóór aan Jokneam is.
12 En zij wendt zich van Sarid oostwaarts tegen den opgang der zon, tot de landpale van Chislôth-Thabor, en zij komt uit te Dobrath en gaat opwaarts naar Jafía.
13 En vandaar gaat zij oostwaarts door naar den opgang, naar Gath-Hefer, te Eth-Kazin, en zij komt uit te Rimmon-Methóar, hetwelk is Nea.
14 En deze landpale keert zich om tegen het noorden naar Hannáthon, en haar uitgangen zijn het dal van Jiftah-El.
15 En Kattath en Náhalal en Simron en Jídala en Bethlehem: twaalf steden en haar dorpen.
16 Dit is het erfdeel der kinderen van Zebulon naar hun huisgezinnen, deze steden en haar dorpen.
17 Het vierde lot ging uit voor Issaschar, voor de kinderen van Issaschar naar hun huisgezinnen.
18 En hun landpale was: Jizreëla en Chesullôth en Sunem,
19 En Hafaráïm en Sion en Anácharath,
20 En Rabbith en Kisjon en Ebez,
21 En Remeth en En-Gannim en En-Hadda en Beth-Pazez.
22 En deze landpale reikt aan Thabor, en Sahazíma en Beth-Sémes; en de uitgangen van hun landpale zijn aan de Jordaan: zestien steden en haar dorpen.
23 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Issaschar naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.
24 Toen ging het vijfde lot voor den stam der kinderen van Aser uit, naar hun huisgezinnen.
25 En hun landpale was: Helkath en Hali en Beten en Achsaf,
26 En Allammélech en Amad en Misal; en zij reikt aan Karmel westwaarts, en aan Sichor-Libnath,
27 En wendt zich tegen den opgang der zon naar Beth-Dagon, en reikt aan Zebulon, en aan het dal Jiftah-El, noordwaarts naar Beth-Emek en Nehiël, en komt uit tot Kabul ter linkerhand;
28 En Ebron en Rehob en Hammon, en Kana, tot aan groot Sidon.
29 En deze landpale wendt zich naar Rama en tot aan de vaste stad Tyrus; dan keert deze landpale naar Hosa, en haar uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer strekkende naar Achzib;
30 En Umma en Afek en Rehob: twee en twintig steden en haar dorpen.
31 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Aser naar hun huisgezinnen, deze steden en haar dorpen.
32 Het zesde lot ging uit voor de kinderen van Naftali, voor de kinderen van Naftali naar hun huisgezinnen.
33 En hun landpale is van Helef, van Allon tot Zaänannim, en Adámi-Nekeb en Jábneël tot Lakkum; en haar uitgangen zijn aan de Jordaan.
34 En deze landpale wendt zich westwaarts naar Aznoth-Thabor en vandaar gaat zij voort naar Hukkok, en zij reikt aan Zebulon tegen het zuiden, en aan Aser reikt zij tegen het westen, en aan Juda aan de Jordaan, tegen den opgang der zon.
35 De vaste steden nu zijn: Ziddim, Zer en Hammath, Rakkath en Cinnéreth,
36 En Adáma en Rama en Hazor,
37 En Kedes en Edréï en En-Hazor,
38 En Jiron en Migdal-El, Horem en Beth-Anath en Beth-Sémes: negentien steden en haar dorpen.
39 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Naftali naar hun huisgezinnen, de steden en haar dorpen.
40 Het zevende lot ging uit voor den stam der kinderen van Dan naar hun huisgezinnen.
41 En de landpale van hun erfdeel was: Zora en Estháol en Ir-Sémes,
42 En Saälabbin en Ajálon en Jithla,
43 En Elon en Timnáta en Ekron,
44 En Elteké en Gíbbethon en Báälath,
45 En Jehud en Bené-Berak en Gath-Rimmon,
46 En Mejarkon en Rakkon, met de landpale tegenover Jafo.
47 Doch de landpale der kinderen van Dan was hun te klein uitgekomen; daarom togen de kinderen van Dan op en krijgden tegen Lesem, en namen haar in en sloegen haar met de scherpte des zwaards, en erfden haar en woonden daarin; en zij noemden Lesem: Dan, naar den naam van hun vader Dan.
48 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Dan naar hun huisgezinnen, deze steden en haar dorpen.
49 Toen zij nu geëindigd hadden het land erfelijk te delen naar zijn landpalen, zo gaven de kinderen Israëls Jozua, den zoon van Nun, een erfdeel in het midden van hen.
50 Naar den mond des HEEREN gaven zij hem die stad welke hij begeerde, Timnath-Serah op het gebergte van Efraïm; en hij bouwde die stad en woonde in dezelve.
51 Dit zijn de erfdelen welke Eleázar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun, en de hoofden der vaderen van de stammen door het lot aan de kinderen Israëls erfelijk uitdeelden te Silo, voor het aangezicht des HEEREN, aan de deur van de tent der samenkomst. Aldus maakten zij een einde van het uitdelen des lands.

Geef een reactie