Daniël 2/14
10/10/2022

Daniël 2/14

Predikant:
Serie:
Passage: Daniël 1:8-21

8 Daniël nu nam voor in zijn hart dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van de spijze des konings, noch met den wijn zijns dranks; daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen dat hij zich niet mocht ontreinigen.
9 En God gaf Daniël genade en barmhartigheid voor het aangezicht van den overste der kamerlingen.
10 Want de overste der kamerlingen zeide tot Daniël: Ik vrees mijn heer den koning, die ulieder spijze en ulieder drank verordineerd heeft; want waarom zou hij ulieder aangezichten droeviger zien dan der jongelingen die in gelijkheid met ulieden zijn? Alzo zoudt gij mijn hoofd bij den koning schuldig maken.
11 Toen zeide Daniël tot Melzar, dien de overste der kamerlingen gesteld had over Daniël, Hanánja, Mísaël en Azárja:
12 Beproef toch uw knechten tien dagen lang, en men geve ons van het gezaaide te eten en water te drinken.
13 En men zie voor uw aangezicht onze gedaanten, en de gedaante der jongelingen die de stukken van de spijze des konings eten; en doe met uw knechten naar dat gij zien zult.
14 Toen hoorde hij hen in deze zaak, en hij beproefde hen tien dagen.
15 Ten einde nu der tien dagen zag men dat hun gedaanten schoner waren en zij vetter waren van vlees dan al de jongelingen die de stukken van de spijze des konings aten.
16 Toen geschiedde het dat Melzar de stukken hunner spijze wegnam, mitsgaders den wijn huns dranks, en hij gaf hun van het gezaaide.
17 Deze vier jongelingen nu, aan die gaf God wetenschap en verstand in alle boeken, en wijsheid; maar Daniël gaf Hij verstand in allerlei gezichten en dromen.
18 Ten einde nu der dagen waarvan de koning gezegd had dat men hen zou inbrengen, zo bracht hen de overste der kamerlingen in voor het aangezicht van Nebukadnézar.
19 En de koning sprak met hen, doch er werd uit hen allen niemand gevonden gelijk Daniël, Hanánja, Mísaël en Azárja; en zij stonden voor het aangezicht des konings.
20 En in alle zaken van verstandige wijsheid, die de koning hun afvroeg, zo vond hij hen tienmaal boven al de tovenaars en sterrenkijkers die in zijn ganse koninkrijk waren.
21 En Daniël bleef tot het eerste jaar van den koning Kores toe.

Geef een antwoord