Bijbel studie Daniël 20 van 23
03/05/2022

Bijbel studie Daniël 20 van 23

Predikant:
Passage: Daniël 11:1-20

1 IK nu, ik stond in het eerste jaar van Daríus, den Meder, om hem te versterken en te stijven.
2 En nu, ik zal u de waarheid te kennen geven: Zie, er zullen nog drie koningen in Perzië staan, en de vierde zal verrijkt worden met groten rijkdom, meer dan al de anderen; en nadat hij zich in zijn rijkdom zal versterkt hebben, zal hij hen allen verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland.
3 Daarna zal er een geweldig koning opstaan, die met grote heerschappij heersen zal, en hij zal doen naar zijn welgevallen.
4 En als hij zal staan, zal zijn rijk gebroken en in de vier winden des hemels verdeeld worden, maar niet aan zijn nakomelingen, ook niet naar zijn heerschappij waarmede hij heerste; want zijn rijk zal uitgerukt worden, en dat voor anderen dan dezen.
5 En de koning van het zuiden, die een van zijn vorsten is, zal sterk worden; doch een ander zal sterker worden dan hij, en hij zal heersen; zijn heerschappij zal een grote heerschappij zijn.
6 Op het einde nu van sommige jaren, zullen zij zich met elkander bevrienden, en de dochter van den koning van het zuiden zal komen tot den koning van het noorden, om billijke voorwaarden te maken; doch zij zal de macht des arms niet behouden, daarom zal hij noch zijn arm bestaan; maar zij zal overgegeven worden, en die haar gebracht hebben, en die haar gegenereerd heeft, en die haar gesterkt heeft in die tijden.
7 Doch uit de spruit harer wortels zal er een opstaan in zijn staat; die zal met heirkracht komen, en hij zal komen tegen de sterke plaatsen des konings van het noorden, en hij zal tegen dezelve doen, en hij zal ze bemachtigen.
8 Ook zal hij hun goden, met hun vorsten, met hun gewenste vaten van zilver en goud in de gevangenis naar Egypte brengen; en hij zal enige jaren staande blijven boven den koning van het noorden.
9 Alzo zal de koning van het zuiden in het koninkrijk komen en hij zal weder in zijn land trekken.
10 Doch zijn zonen zullen zich in strijd mengen, en zij zullen een menigte van grote heiren verzamelen; en een van hen zal snellijk komen, en als een vloed overstromen en doortrekken; en hij zal wederomkomen en zich in den strijd mengen, tot aan zijn sterke plaats toe.
11 En de koning van het zuiden zal verbitterd worden, en hij zal uittrekken en strijden tegen hem, tegen den koning van het noorden, die ook een grote menigte oprichten zal, doch die menigte zal in zijn hand gegeven worden.
12 Als die menigte zal weggenomen zijn, zal zijn hart zich verheffen; en hij zal er enige tienduizenden nedervellen, evenwel zal hij niet gesterkt worden.
13 Want de koning van het noorden zal wederkeren, en hij zal een groter menigte dan de eerste was, oprichten; en aan het einde van de tijden der jaren zal hij snellijk komen met een grote heirkracht en met groot goed.
14 Ook zullen er in die tijden velen opstaan tegen den koning van het zuiden; en de scheurmakers uws volks zullen verheven worden om het gezicht te bevestigen, doch zij zullen vallen.
15 En de koning van het noorden zal komen en een wal opwerpen en vaste steden innemen; en de armen van het zuiden zullen niet bestaan, noch zijn uitgelezen volk, ja, er zal geen kracht zijn om te bestaan.
16 Maar hij die tegen hem komt, zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land des sieraads, en de verderving zal in zijn hand wezen.
17 En hij zal zijn aangezicht stellen om met de kracht zijns gansen rijks te komen, en hij zal billijke voorwaarden medebrengen en hij zal het doen; want hij zal hem een dochter der vrouwen geven, om haar te verderven, maar zij zal niet vaststaan en zij zal voor hem niet zijn.
18 Daarna zal hij zijn aangezicht tot de eilanden keren en hij zal er vele innemen; doch een overste zal zijn smaad tegen hem doen ophouden, behalve dat hij zijn smaad op hem zal doen wederkeren.
19 En hij zal zijn aangezicht keren naar de sterkten zijns lands, en hij zal aanstoten en vallen, en niet gevonden worden.
20 En in zijn staat zal er een opstaan, doende een geldeiser doortrekken in koninklijke heerlijkheid; maar hij zal in enige dagen gebroken worden, nochtans niet door toornigheden, noch door oorlog.

Geef een antwoord