Bijbel studie Daniël 16 van 23
02/05/2022

Bijbel studie Daniël 16 van 23

Predikant:
Passage: Daniël 8:15-27

15 En het geschiedde toen ik dat gezicht zag, ik, Daniël, zo zocht ik het verstand deszelven; en zie, er stond voor mij als de gedaante eens mans.
16 En ik hoorde tussen Ulai eens Mensen stem; die riep en zeide: Gabriël, geef dezen het gezicht te verstaan.
17 En hij kwam nevens waar ik stond; en als hij kwam, verschrikte ik, en ik viel op mijn aangezicht. Toen zeide hij tot mij: Versta, gij mensenkind, want dit gezicht zal zijn tot den tijd van het einde.
18 Als hij nu met mij sprak, viel ik in een diepen slaap op mijn aangezicht ter aarde. Toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijn standplaats.
19 En hij zeide: Zie, ik zal u te kennen geven wat er geschieden zal ten einde dezer gramschap; want te bestemder tijd zal het einde zijn.
20 De ram met de twee hoornen, dien gij gezien hebt, zijn de koningen der Meden en der Perzen.
21 Die harige bok nu is de koning van Griekenland; en de grote hoorn welke tussen zijn ogen is, is de eerste koning.
22 Dat er nu vier aan zijn plaats stonden toen hij verbroken was: vier koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, doch niet met zijn kracht.
23 Doch op het laatste huns koninkrijks, als het de afvalligen op het hoogste zullen gebracht hebben, zo zal er een koning staan, stijf van aangezicht en raadselen verstaande;
24 En zijn kracht zal sterk worden, doch niet door zijn kracht; en hij zal het wonderlijk verderven, en zal geluk hebben, en zal het doen, en hij zal de sterken mitsgaders het heilige volk verderven;
25 En door zijn kloekheid zo zal hij de bedriegerij doen gedijen in zijn hand, en hij zal zich in zijn hart verheffen, en in stille rust zal hij er velen verderven, en zal staan tegen den Vorst der vorsten, doch hij zal zonder hand verbroken worden.
26 Het gezicht nu van avond en morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en gij, sluit dit gezicht toe, want er zijn nog vele dagen toe.
27 Toen werd ik, Daniël, zwak en was enige dagen krank; daarna stond ik op, en deed des konings werk; en ik was ontzet over dit gezicht, maar niemand merkte het.

Geef een antwoord